De lumpsum is het bedrag dat schoolbesturen jaarlijks krijgen van de Rijksoverheid en waar ze vrijwel al hun kosten van moeten betalen. Geld dat in de lumpsum zit, is niet geoormerkt. Schoolbesturen mogen dus zelf bepalen waaraan ze het uitgeven. Hieronder wordt uitgelegd hoe de lumpsum jaarlijks wordt geïndexeerd.

Indexering personele lumpsum

De kabinetsbijdrage die compenseert voor de ontwikkeling van de arbeidskosten (oftewel de indexatie van de personele lumpsum) wordt voor de collectieve sector en dus ook het primair onderwijs, vastgesteld aan de hand van de “referentiesystematiek”. Deze systematiek vertaalt de ontwikkeling van arbeidskosten in de marktsector door naar de overheidssector. De marktsector is dus het referentiepunt: Stijgen/dalen de arbeidskosten in de marktsector, dan stijgt/daalt de compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten c.q. de indexering van de personele lumpsum.

De daadwerkelijke ontwikkeling van de werkgeverslasten in het primair onderwijs spelen dus geen enkele rol bij het vaststellen van de compensatie voor werkgeverslasten: Is de ontwikkeling van de werkgeverslasten in het primair onderwijs hoger dan de compensatie die op grond van de referentiesystematiek wordt ontvangen, moeten schoolbesturen dat zelf oplossen. Andersom geldt ook: Wordt er meer gecompenseerd dan dat de arbeidskosten daadwerkelijk zijn gestegen, dan hebben schoolbesturen er voordeel bij.

De referentiesystematiek kijkt naar twee soorten arbeidskosten:

  1. Contractloonontwikkeling in de marktsector, zoals geraamd door het Centraal Planbureau (CPB).
  2. Mutatie werkgeverslasten in de marktsector voor de werkgeverslasten pensioen en sociale zekerheid. (Arbeidsongeschiktheid (WAO), Zorgverzekeringswet (ZVW), Pensioenen, Doorbetaling bij ziekte/ ziekteverzuim en bijdrage kinderopvang)

Het kabinet houdt te allen tijde het recht om de berekening op grond van de referentiesystematiek niet door te vertalen in een compensatie, als dit een volgens het kabinet "ongewenste" uitkomst oplevert. Van die mogelijkheid is de afgelopen jaren gebruik gemaakt om te kunnen bezuinigen op de overheidsuitgaven of om specifiek beleid te financieren. Zo zijn in 2010 tot en met 2014 de contractlonen in de collectieve sector niet gestegen conform de referentiesystematiek. Definitieve besluitvorming over de vaststelling van de compensatie voor gestegen arbeidskosten vindt plaats in het voorjaarsoverleg. Over de uitkomsten van dit overleg wordt doorgaans in mei/ juni gepubliceerd. De definitieve vaststelling vindt plaats als de onderwijsbegroting door de Tweede Kamer is vastgesteld.

Compensatie

De compensatie vindt plaats door middel van een verhoging van de personele bekostiging (GPL) en wordt toegekend op kalenderjaarbasis. De personele bekostiging wordt toegekend op schooljaarbasis. Omdat de compensatie voor een jaar in de voorjaarsnota van het kabinet wordt vastgesteld in mei/juni, kan de bekostiging van het betreffende schooljaar veelal pas worden vastgesteld als het schooljaar al is afgelopen. De compensatie over heeft immers ook consequenties voor de bekostiging over de laatste 7 maanden van het schooljaar (januari – juli van dat jaar).

De ontwikkeling van de werkloosheidskosten (voor het primair onderwijs terugkomend in de premies participatiefonds) wordt niet meegenomen in het referentiemodel, aangezien schoolbesturen eigen risicodragers zijn voor de Werkloosheidswet en in dat kader geen werkgeverspremie Werkloosheidswet hoeven te betalen. Zie ook het thema Werkgeverszaken.

Indexering materiele lumpsum

In de wet (WPO, artikel 113, lid 6 en de WEC, artikel 111, lid 6) staat voorgeschreven dat de indexering van de vergoeding voor de materiële instandhouding (MI) van het primair onderwijs moet worden vastgesteld aan de hand van de ontwikkeling van de netto materiële overheidsconsumptie (imoc). Bij het bepalen van de hoogte van de jaarlijkse prijsbijstelling/ indexering wordt jaarlijks de bestaande index aangepast op basis van:

  • de werkelijke prijsontwikkeling in T-1 (voorgaande jaar);
  • de geactualiseerde prijsontwikkeling in T (huidige jaar);
  • de verwachte prijsontwikkeling in T+1 (volgende jaar).

Tools Materiële bekostiging