Blog

Blog Freddy Weima | Tijd en gelijkheid

Kansengelijkheid is hot. Er is geen politieke partij meer te vinden die tegen is. Er zijn ook volop commerciële bedrijven die hun reclamecampagnes bouwen rondom dit thema. Equality sells.

Het coalitieakkoord van het huidige kabinet is ervan doordrenkt. En zoals te verwachten krijgt het onderwijs daarin een cruciale rol. Maar de uitwerking stelt vooralsnog teleur. Echt grote stappen durft het kabinet niet te zetten.

De grote hervormingsplannen voor de kinderopvang bieden mogelijkheden om tot een publieke voorziening voor onze allerjongsten te komen, maar de herziening is uitgesteld en de zogenaamde arbeidseis is nog niet losgelaten, waardoor het plan alleen werkende ouders met een hoog inkomen bevoordeelt. Als er geen prijsregulering komt zouden ouders met een laag inkomen er zelfs op achteruit kunnen gaan.

Ook de barrières tussen primair en voortgezet onderwijs, waardoor kinderen al op 11- of 12-jarige leeftijd een keuze voor het leven moeten maken, blijven voorlopig ongemoeid.

Het recente Kamerdebat over kansengelijkheid bracht daar geen beweging in. Veel energie werd gestoken in discussies over ouderbijdragen, de bijlesindustrie en schoolmaaltijden. Allemaal belangrijk, maar minder fundamenteel. Ook blijkt voortdurend dat zo’n beetje elke politieke partij een eigen definitie van kansengelijkheid heeft.

Gelukkig hebben we Louise Elffers. Deze Amsterdamse lector en hoogleraar schreef vorig jaar een standaardwerk over kansengelijkheid: Onderwijs maakt het verschil. Het werd door de Volkskrant uitgeroepen tot een van de beste boeken van 2022, en terecht. Elffers presenteert een kraakhelder begrippenkader: er zijn verschillende, elkaar aanvullende, manieren om naar kansengelijkheid te kijken. Vervolgens laat ze aan de hand van dat kader zien dat het Nederlands onderwijs ‘in de praktijk op verschillende punten door het ijs zakt’ op dit punt. Met name als je ouders niet beschikken over een hoger onderwijsdiploma of als je een migratieachtergrond hebt maak je minder kans op verwezenlijking van je potentieel.

In haar boek benoemt Elffers tien ‘verbeterpunten’ die bijdragen aan kansengelijkheid, zoals extra investeren in leerlingen die de school het hardst nodig hebben. Of het stoppen met ‘vakkenvullen’ – het op jonge leeftijd plaatsen van kinderen vanuit het po in de verschillende schoolsoorten in het vo - door later of anders te selecteren. En door beroepsvormend onderwijs niet meer onder het algemeen vormend onderwijs te positioneren. Allemaal stappen die we moeten zetten.

Ook onderwijs- en organisatiekundige Marjolein Ploegman, onder meer bekend als oprichter van De School in Zandvoort, verrijkt het maatschappelijk debat met stevige ideeën. In haar recente boek Kansengelijkheid – een kwestie van tijd ­komt ze met een belangrijk aanvullend inzicht: we hebben het te weinig over tijd.

Zoals velen is ze sceptisch én optimistisch over de betekenis van het onderwijs voor kansengelijkheid. Het onderwijs kan het probleem niet oplossen, maar wel helpen. Kinderen ontwikkelen zich binnen én buiten school. De ontwikkeling buiten school is per definitie ongelijk, binnen school kán je kansengelijkheid bevorderen.

Maar dan moet je daar wel de tijd voor nemen. Alleen als je voldoende tijd steekt in de ontwikkeling van kinderen die van huis uit minder kansen krijgen doe je iets aan die ongelijkheid. Er is veel wetenschappelijk bewijs dat méér tijd effectief kan zijn, vooral als je het langer volhoudt, als er voldoende structuur is en natuurlijk als er een goede leraar is.

In een achtjarige schoolcarrière gebeurt van alles dat kinderen van die ontwikkeling  weerhoudt. Om te beginnen is het ene kind vaker en langer ziek dan het andere. Bij elkaar opgeteld kan dat een groot verschil maken in ontwikkeltijd. Hetzelfde geldt voor de geboortedatum. Als je in maart geboren bent, zit je totaal ruim 500 uur meer op de basisschool dan wanneer je in november bent geboren.

Ook de manier waarop scholen omgaan met tijd is van grote invloed. Als je veel doet aan festiviteiten en evenementen die niet direct bijdragen aan de onderwijskundige visie, dan gaat dat ten koste van de ontwikkeltijd van kinderen. Dat pakt met name nadelig uit voor kinderen die die tijd het hardst nodig hebben.

En vergeet het landelijke beleid niet. De toenemende nadruk op toetsen bijvoorbeeld. ‘Tijd die leerlingen besteden aan toetsen, kunnen ze niet besteden aan leren’, aldus Ploegman. En dan hebben we het nog niet over de tijd die het leren maken van toetsen en de stress eromheen kost.

Verder stelt Ploegman vast dat de tijd om te leren steeds meer gecomprimeerd is: minder uren, kortere schooldagen en minder weken dan vroeger. Terwijl juist kansarme kinderen gedijen bij spreiding van lesstof: minder stress, meer oefenmomenten, minder kans om stof te missen, minder grote ‘leerstappen’. Daarom zijn zomerscholen vaak zo effectief: ze ondervangen precies die nadelen.

Eigenlijk zouden we het moeten hebben over hét heilige huisje in onze sector: de lange vakanties. Geliefd bij velen, maar niet goed voor de kansengelijkheid.

Het boek van Marjolein Ploegman bevat nog veel meer waardevolle inzichten, die ik hier niet allemaal kan noemen. Maar het is goed dat de factor tijd hier de aandacht krijgt die het verdient, zoals ook de Onderwijsraad dat doet in het net verschenen advies over de personeelstekorten. 

Kansengelijkheid is hot, maar de bevordering ervan mag wel wat hotter. Elffers en Ploegman laten zien dat we meer kunnen dan we nu doen.

Blog Freddy Weima over onderwijshuisvesting

Onze professionals staan voor je klaar

Stel je vraag of zoek een opleiding

Contact met de Juridische Helpdesk

Heb je een juridisch vraag? Als lid van de PO-Raad kun je via de pagina van de Juridische helpdesk je vraag stellen op Mijn PO-Raad (na het inloggen in het ledenportaal).

Voor dringende vragen bel met 030 - 31 00 933. We zijn bereikbaar op werkdagen tussen 09.00 – 12.00 uur.

Helpdesk 2 mensen praten