CAO PO

Download hier de integrale tekst van de huidige cao

Een goede cao voor het primair onderwijs maakt het mede mogelijk dat leraren, schoolleiders en onderwijsondersteuners hun werk goed kunnen doen en dat leerlingen daardoor goed onderwijs krijgen.

In de cao maakt de PO-Raad als werkgeversorganisatie met de werknemersorganisaties afspraken over arbeidsvoorwaarden. De PO-Raad behartigt daarbij de belangen van de schoolbesturen aan de cao-tafel. Bij deze onderhandelingen is oog voor de uitvoerbaarheid van de afspraken voor het schoolbestuur en voor de kwaliteit van het onderwijs voor leerlingen. Uitgangspunt is dat schoolbesturen in positie worden gebracht om integraal verantwoordelijkheid te dragen voor het werkgeverschap. Zelf afwegingen maken over organisatie inrichting en de arbeidsvoorwaarden daarbij. Vrijheid om te kunnen besturen. Daarom is de inzet van de PO-Raad juist op minder regelen minder vastleggen minder details meer keuze en beslisruimte. Waar ook ruimte is voor schoolbesturen om dit te laten regelen of vrijheid te geven op schoolniveau. Naast het afsluiten van de cao biedt de PO-Raad ondersteuning aan de schoolbesturen bij het uitvoeren van de CAO. 

Geldende cao

Op dit moment geldt de CAO PO 2018-2019. De afspraken uit deze cao voor het primair onderwijs gelden vanaf 1 augustus 2018. De cao loopt tot 1 maart 2019.

Leden van de PO-Raad vinden meer informatie over het onderhandelaarsakkoord op het prikbord ‘Cao-akkoord CAO PO 2018’ (u moet hiervoor inloggen in mijn.poraad.nl).

Op zoek naar de tekst van de 'oude' CAO PO 2016-2017: Download hier de tekst van de CAO PO 2016-2017.

Kop-cao

Het geld voor de arbeidsmarktmiddelen voor het primair onderwijs en voor de vakbondsfaciliteiten (Govak-middelen) zijn vanaf 2018 toegevoegd aan de lumpsum. Schoolbesturen zijn verplicht om dit geld af te dragen. Deze verplichting is vastgelegd in een zogenaamde kop-cao. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting die ontstond bij decentralisatie van de onderhandelingen over de primaire arbeidsvoorwaarden in 2014.

Voorheen betaalde het ministerie van OCW een subsidie aan de vakbonden en aan het arbeidsmarktplatform. In het kader van de decentralisatie van onderhandelingen over de primaire arbeidsvoorwaarden is in 2014 vastgelegd dat deze subsidie eveneens gedecentraliseerd zou worden. Het primair onderwijs volgt daarbij andere sectoren waarin dit al langer op deze manier is geregeld. Het gaat in totaal om 7,2 miljoen euro.

In het decentralisatie-convenant van 2014 (waarin de decentralisatie van de primaire arbeidsvoorwaarden is geregeld) is vastgelegd dat de verplichting van schoolbesturen om deze middelen af te dragen wordt opgenomen in de cao. Met het afsluiten van een kop-cao is aan die verplichting voldaan. Een kop-cao bevat afspraken voor langere tijd. De afspraken die nu zijn gemaakt, gelden in ieder geval tot 1 januari 2023.

Onderhandelingen nieuwe cao

Als eerste stap in het onderhandelproces voor een nieuwe cao wordt met de Arbeidsvoorwaardencommissie gesproken over speerpunten en prioriteiten voor nieuwe onderhandelingen. Deze speerpunten en prioriteiten worden getoest bij een groter deel van de achterban van de PO-Raad. Vervolgens maakt de onderhandleingsdelegatie de hooflijnen van de inzet voor de onderhandelingen concreet in de vorm van een conceptmandaat en een conceptinzetbrief. Het bestuur van de PO-Raad geeft, op basis van advies van de Arbeidsvoorwaardencommissie, een onderhandelingsmandaat aan de onderhandelingsdelegatie. De onderhandelingsdelegatie van de PO-Raad onderhandelt namens de schoolbesturen met vakbonden over de cao voor het primair onderwijs. 

De cao-onderhandelingen tussen de PO-Raad en de vakbonden staan onder leiding van een onafhankelijke voorzitter van de cao-tafel. Uitkomst van de cao-onderhandelingen is een onderhandelaarsakkoord waarin de afspraken staan voor de nieuwe cao.  De Arbeidsvoorwaardencommissie bekijkt of het onderhandelaarsakkoord past binnen het mandaat en adviseert het bestuur van de PO-Raad hierover. Het bestuur besluit of ze het akkoord voorlegt aan de leden van de PO-Raad en communiceert hierover met de aangesloten schoolbesturen. 

Bij de ledenraadpleging wordt ieder lid van de PO-Raad in gelegenheid gesteld om (electronisch) te stemmen over het onderhandelaarsakkoord. Als zowel de leden van de PO-Raad als de achterban van de werknemersorganisaties voor het onderhandelaarsakkoord stemmen, wordt het akkoord definitief. Daarna gaan de partijen praten over de definitieve teksten van de cao. Deze worden zo snel mogelijk vastgesteld en bekendgemaakt.

Lees ook het volledige proces van onderhandelingen over de cao.

De cao is bindend voor leden van de PO-Raad en bij algemeen verbindend verklaren, wordt deze ook geldend voor niet-leden die wel tot de sector primair onderwijs behoren. De huidige cai is niet algemeen verbindend verklaard.

Primaire- en secundaire arbeidsvoorwaarden

Vanaf januari 2014 onderhandelt de PO-Raad met de bonden over zowel de primaire- als secundaire arbeidsvoorwaarden. Tot die tijd werd over de primaire arbeidsvoorwaarden nog door het ministerie van OCW met de bonden onderhandeld, sinds de decentralisatie kan aan één cao-tafel over het totale pakket arbeidsvoorwaarden onderhandeld worden. Hierdoor kan er een beter op elkaar afgestemd arbeidsvoorwaardenpakket samengesteld worden. 

Vragen?

Voor meer informatie over de CAO PO kunt u contact opnemen met de Helpdesk van de PO-Raad (voor leden van de PO-Raad). In de Toolbox HRM zijn tools te vinden die helpen bij het implementeren van de CAO.

Bestanden bij dit onderwerp

Laatste nieuws

  • Salarisverhoging en ziektevervanging, keten-ID, Variawet passend onderwijs, experiment mengen verschillende schooltypes, afschaffen fusietoets, Goed worden Goed blijven en de Nieuwkomerssubsidie. De PO-Raad zette de belangrijkste wijzigingen voor u op een rij.

Veelgestelde vragen

  • Hoeveel bedraagt de éénmalige uitkering en waarom is er gekozen voor deze uitkering?

    Alle medewerkers in het primair onderwijs krijgen in oktober een éénmalige uitkering van 750 euro (naar rato naar van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Alle leraren (medewerkers in de L-schalen) krijgen in oktober daarbovenop een éénmalige uitkering van 42% van hun nieuwe maandsalaris (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Het geld voor de salarisverhoging is beschikbaar voor het hele jaar 2018 (vanaf 1 januari). De salarisverhogingen gaan echter pas in op 1 september. Het bedrag dat niet is uitgegeven in de eerste acht maanden van 2018, is omgerekend naar een eenmalige uitkering.

  • In artikel 6.17 (overlijdensuitkering) van de cao is o.a. opgenomen dat meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was in aanmerking komen voor een uitkering bij overlijden. Wat wordt verstaan onder “kostwinner”?

    Onder het begrip kostwinner moet het volgende worden verstaan:

    Een overledene wordt geacht kostwinner te zijn geweest indien de nabestaande geheel of grotendeels afhankelijk was van zijn of haar inkomen (van de overledene). Bepalend of iemand kostwinner was, is derhalve de (mate van) afhankelijkheid van het inkomen. Een nabestaande is (geheel of grotendeels) afhankelijk van het inkomen van de overledene indien door de overledene (grotendeels) werd voorzien in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Anders gezegd, de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, kwamen (voor het merendeel) ten laste van de overledene.

    Daarnaast moet worden vastgesteld wanneer de nabestaande grotendeels afhankelijk is van het inkomen van de overledene. Van afhankelijkheid is in ieder geval geen sprake wanneer een nabestaande voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen. Uit deze laatste vaststelling mag echter niet de conclusie worden getrokken dat wanneer de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen hij of zij geacht kan worden kostwinner te zijn geweest. Criterium is immers de (mate van) afhankelijkheid, waarvoor bepalend zijn de kosten van levensonderhoud (de noodzakelijke kosten van bestaan). Er moet worden vastgesteld dat door een nabestaande niet, althans niet voldoende, in de eigen kosten van levensonderhoud kon worden voorzien. Als houvast kan hiervoor worden aangehouden dat de kosten voor levensonderhoud 50% van het totale inkomen bedragen. Wanneer bovendien meer dan 50% van de kosten voor levensonderhoud voor rekening van de overledene moesten komen, kan worden vastgesteld dat de nabestaande grotendeels afhankelijk was van het inkomen van de overledene. Anders gezegd; er moet worden vastgesteld of de eigen inkomsten van de nabestaande minstens de helft van de kosten voor levensonderhoud niet overschreden.

    In een voorbeeld geïllustreerd:

    Inkomen overledene   3000 euro
    Inkomen nabestaande 2000 euro
    Totaal  5000 euro
    Kosten levensonderhoud 2500 euro (50% totale inkomen)
    Grootste deel grens 1250 euro

    Conclusie: hoewel de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan de totale inkomsten kan niet worden gezegd dat deze ten aanzien van de nabestaande grotendeels in de kosten van levensonderhoud voorzag. De inkomsten van de nabestaande bedroegen meer dan e 1.250,--. Overledene was derhalve geen kostwinner.

  • Wordt het ouderschapsverlof ook opgeschort tijdens kortdurend ziekteverlof zoals griep?

    In artikel 8.19 lid 9 cao PO staat dat het ouderschapsverlof van rechtswege wordt opgeschort bij ziekte. Er wordt geen termijn aan de duur van de ziekte verbonden en in het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaald en onbetaald ouderschapsverlof. Dit betekent dat bij elke vorm van ziekte (ook al is het één dag) het betaald en onbetaald ouderschapsverlof wordt opgeschort. De werknemer kan in overleg het ouderschapsverlof op een ander moment inzetten.